Ziektepresentatie

Ziektebeschrijving

De ziekte van Fabry is een erfelijke stofwisselingsziekte. De ziekte hoort bij de groep van lysosomale stapelingsziekten.

Hoe ontstaat de ziekte van Fabry?
Bij lysosomale stapelingsziekten werken de lysosomen niet goed. Lysosomen zijn onderdeel van een cel. Ze zorgen voor het afbreken en opnieuw gebruiken van veel stoffen. Dit wordt gedaan door speciale eiwitten (enzymen) in het lysosoom. Als een van deze enzymen er niet is of niet goed werkt, stapelen (afval)stoffen zich op. Bij de ziekte van Fabry werkt het Enzym alfa-galactosidase A niet goed. Daardoor stapelt de stof globotriaosylceramide (Gb3) zich op. Gb3 bestaat uit suiker en vet. In de loop van de tijd beschadigt deze stapeling weefsels en organen.

Klassieke en niet-klassieke ziekte van Fabry
Er zijn twee vormen van de ziekte van Fabry: de klassieke en de niet-klassieke vorm. Bij de klassieke vorm beginnen de klachten meestal op de kinderleeftijd of rond de puberteit. Mannelijke patiënten kunnen kleine rood-paarse puntjes op de huid krijgen (angiokeratomen). Deze plekjes zitten vooral in het gebied tussen de navel en de knieën. Ook kunnen ze pijn hebben in de handen en voeten (acroparesthesieën). Ze kunnen altijd pijn hebben, maar ook in aanvallen na inspanning of als ze koorts krijgen. Soms kunnen mensen niet of weinig transpireren. En bij onderzoek van de ogen kunnen soms veranderingen aan het hoornvlies worden gevonden (cornea verticillata). Maar die veranderingen hebben meestal geen gevolgen voor het zien.
Bij het ouder worden krijgen patiënten steeds meer problemen. Er kunnen afwijkingen ontstaan aan het hart (bijv. hartritmestoornissen, hartinfarcten en hartfalen), de nieren (nierfalen) en de hersenen (herseninfarcten). Bij de niet-klassieke vorm ontstaan de klachten pas later en zijn ze vaak milder. Meestal is er dan maar één orgaan aangedaan, met name het hart.
Vrouwen met klassieke ziekte van Fabry kunnen dezelfde problemen ontwikkelen, maar dit gebeurt over het algemeen op latere leeftijd en de ziekte kan minder ernstig zijn. Het beloop van de ziekte verschilt sterk tussen vrouwen met klassieke ziekte van Fabry. Vrouwen met de niet-klassieke vorm van de ziekte hebben een laag risico op het ontwikkelen van complicaties.

Erfelijkheid
Het Gen dat de ziekte van Fabry veroorzaakt, wordt doorgegeven van ouder op kind. Als één persoon in een familie de ziekte van Fabry heeft, is het waarschijnlijk dat een of meer andere leden van deze familie (broers en zussen, kinderen, ouders, ooms en tantes en neven en nichten) de ziekte ook hebben.
De ziekte van Fabry is X-gebonden. Dat betekent dat het gen met de fout die de ziekte van Fabry veroorzaakt op het X-chromosoom ligt. Het X-chromosoom is het geslachtschromosoom: vrouwen hebben twee X-en en mannen hebben een X en een Y. Hierdoor is de ziekte ernstiger bij mannen. Omdat de Mutatie die de ziekte veroorzaakt in dat X-chromosoom zit, hebben zij geen tweede ‘gezonde’ X die dat kan corrigeren. En vrouwen hebben dat wel. Vrouwen met de ziekte van Fabry hebben op één van hun X-chromosomen een GLA-gen met een mutatie en op het andere X-chromosoom een normaal GLA-gen. Deze vrouwen hebben 50% kans om het GLA-gen met de mutatie (en dus de ziekte) door te geven aan hun kinderen (zowel dochters als zonen).

Wat is de prognose?
Door de klachten van de ziekte is de levensverwachting van mensen, vooral mannen, met de ziekte van Fabry enigszins bekort. Waarschijnlijk is dat niet alleen bij de klassieke vorm maar ook bij de niet-klassieke vorm het geval.

Cijfers
De ziekte van Fabry is een heel zeldzame ziekte. In Nederland komt de ziekte bij ongeveer 1 op 40.000 pasgeborenen voor.

Symptomen

De aanwezigheid van de ziekte kan op verschillende manieren blijken. Het kan door onderzoek aan het licht komen of door klachten. Dit wordt hieronder uitgelegd.

Klachten
Klachten bij presentatie
Niet alle patiënten met de ziekte van Fabry krijgen alle klachten en verschijnselen. Ook verschilt de ernst van de ziekte van persoon tot persoon. Patiënten met niet-klassieke ziekte van Fabry en een deel van de vrouwen met klassieke ziekte van Fabry hebben vaak geen klachten op de kinderleeftijd en vroege volwassen leeftijd.

De volgende klachten kunnen wijzen op de ziekte van Fabry:

  • Brandende pijn aan handen en voeten (acroparesthesieën). Dit kan al op zeer jonge leeftijd voorkomen. Vaak ontstaat of verergert de pijn bij koorts, weersveranderingen, blootstelling aan hoge en/of lage temperaturen, inspanning, stress of vermoeidheid.
  • Weinig of niet kunnen transpireren door schade aan zenuwen en zweetklieren. Dit kan de temperatuurregulatie verstoren, vooral bij een hoge omgevingstemperatuur en/of lichamelijke inspanning. Verminderd transpireren komt niet bij alle Fabry-patiënten voor.
  • Oogafwijkingen. Bij de ogen wordt soms een sterpatroon op het hoornvlies gezien (cornea verticillata). Ook kunnen er afwijkende vaten in het netvlies worden gezien. Maar deze veranderingen hebben geen invloed op het zien.
  • Huidafwijkingen. Deze kenmerken zich door kleine rood-paarse puntjes (angiokeratomen). Deze plekjes kunnen soms bloeden en bevinden zich meestal tussen de navel en de knieën.

Als iemand een verdikte hartspier heeft of ernstige nierschade krijgt, zonder duidelijke oorzaak, moet aan de ziekte van Fabry worden gedacht. Vooral als diegene ook een van de bovengenoemde klachten heeft. Het is dan heel belangrijk om na te gaan of deze klachten ook bij andere familieleden voorkomen. Problemen van hart en nieren ontstaan doorgaans pas op latere leeftijd (30-40 jaar).

Klachten op de lange termijn
Als patiënten met de klassieke vorm van Fabry ouder worden, krijgen ze steeds meer problemen. Dit is het gevolg van stapeling in de vaatwand en in andere cellen van het hart en de nieren. Er kunnen dan problemen ontstaan in de functie van het hart, de nieren en de hersenen. Behandeling kan worden gestart om de toename van de problemen zo veel mogelijk af te remmen en de klachten te verminderen. Maar er is geen behandeling om de ziekte te genezen.

Behandeling

Patiënten met de ziekte van Fabry worden altijd behandeld in een UMC. Dit gebeurt door een kinderarts of een internist gespecialiseerd in metabole ziekten (stofwisselingsziekten). De behandeling van de ziekte van Fabry bestaat uit medicijnen.

Medicijnen
Enzymtherapie
Sinds 2001 is voor de behandeling van de ziekte van Fabry enzymtherapie beschikbaar. Deze therapie bevat een vorm van het enzym dat ontbreekt of onvoldoende aanwezig is. Er zijn twee middelen: agalsidase alfa (Replagal®) en agalsidase bèta (Fabrazyme®). Beide middelen worden Intraveneus toegediend. Daarom begint de behandeling voor mannen in het ziekenhuis, omdat zij een risico op een infusiereactie hebben. Daarna kan het infuus meestal thuis worden gegeven. Voor vrouwen kan de behandeling thuis starten.
Door het behandelend team wordt besproken of een patiënt in aanmerking komt voor behandeling. Daarna wordt in overleg met de patiënt de keuze gemaakt voor agalsidase alfa of bèta. Als de ziekte tijdens behandeling niet stabiliseert, kan de behandeling worden gestopt.
Nieuwe behandelingen zijn in ontwikkeling maar op dit moment is er geen andere behandeling voor de ziekte van Fabry beschikbaar in Nederland.

Er zijn ook medicijnen om de klachten van de ziekte van Fabry te behandelen. Deze medicijnen worden hierna besproken onder het kopje ‘Veelgebruikte medicijnen en adviezen bij de ziekte van Fabry’. Er zijn ook medicijnen die zoveel mogelijk moeten worden vermeden. Deze worden genoemd onder ‘Te vermijden medicijnen bij de ziekte van Fabry’.

Veelgebruikte medicijnen en adviezen bij de ziekte van Fabry
Carbamazepine
Carbamazepine wordt gebruikt bij patiënten die pijnklachten van dunnevezelneuropathie hebben. Doordat de dunne zenuwvezels bij hen niet goed functioneren, ontstaan er klachten. Ze hebben bijvoorbeeld brandende of prikkelende pijn, met name in de handen en voeten.

ACE-remmers en angiotensinereceptorblokkers (ARB’s)
ACE-remmers en ARB’s worden gebruikt bij patiënten met eiwit of albumine in de urine (proteïnurie of albuminurie). Doel van de behandeling is het afremmen van achteruitgang van de nierfunctie.

Leefstijladviezen
Aan alle patiënten met de ziekte van Fabry worden onderstaande leefstijladviezen gegeven. Dat is om de kans op achteruitgang van de nierfunctie en het optreden van hartklachten te verkleinen:
– zo weinig mogelijk zout gebruiken
– niet roken
– bloeddruk regelmatig controleren en bij verhoogde bloeddruk behandeling daarvoor starten
– geen of zo weinig mogelijk alcohol gebruiken
– zorgen voor voldoende lichaamsbeweging
– een normaal lichaamsgewicht nastreven.

Cholesterol- en/of vetverlagende middelen
Bij alle volwassen patiënten met de ziekte van Fabry wordt geadviseerd ten minste 1x de hoeveelheid vet (cholesterol en triglyceriden) in het bloed te meten. Als het vetgehalte te hoog is kunnen dieetadviezen worden gegeven en cholesterol- en/of vetverlagende medicijnen geadviseerd.

Antistolling
Alle patiënten die een beroerte (een TIA of CVA) hebben gehad, moeten worden doorverwezen naar een neuroloog. Er zal dan behandeling met een antistollingsmiddel worden voorgeschreven.
Patiënten met wittestofafwijkingen die geen TIA of CVA hebben gehad, kunnen ook worden behandeld met antistolling. Dit gebeurt op advies van de expert.

Vaccinaties
Kinderen met de ziekte van Fabry krijgen dezelfde vaccinaties als andere kinderen. Dit loopt via het Rijksvaccinatieprogramma van de GGD.
De behandelend arts zal aangeven of het jaarlijkse griepvaccin ook wordt geadviseerd. Dat hangt af van de klachten die iemand heeft.

Te vermijden medicijnen en voedingsmiddelen bij de ziekte van Fabry

  • Als patiënten agalsidase alfa of bèta gebruiken en daarnaast ook amiodaron, dan moeten de voor- en nadelen tegen elkaar worden afgewogen.
  • Gebruik van chloroquine wordt afgeraden bij de ziekte van Fabry tenzij er geen goed alternatief is.
  • Roken en het drinken van alcohol worden ontraden; alcohol kan atriumfibrilleren uitlokken bij patiënten met Fabry-gerelateerde hartziekte.

Complicaties
Agalsidase alfa en bèta worden via een infuus toegediend. Daardoor kunnen bijwerkingen ontstaan. Koorts, koude rillingen, hoofdpijn, misselijkheid en/of braken komen vaak voor. Netelroos of galbulten (urticaria), huiduitslag en jeuk komen regelmatig voor. Als er door het infuus bijwerkingen zijn, kan er bij een volgend infuus van tevoren medicatie worden gegeven. Ook de infusiesnelheid kan worden aangepast. Daarmee kan de kans op herhaling van de bijwerkingen worden verkleind.

Overige aandachtspunten

Naast de medische behandeling en begeleiding kunnen patiënten met de ziekte van Fabry ook met andere, meer praktische zaken te maken krijgen. De belangrijkste staan hieronder beschreven.

Praktische zaken
Als u praktische vragen hebt over uw ziekte, kunt u terecht bij de kinderarts of internist. Denkt u daarbij aan vragen over het afsluiten van een verzekering, over sport, vakantie, opleiding of een vrijetijdsbesteding voor uzelf of uw kind. Als het nodig is, kan de kinderarts of internist u doorverwijzen naar een maatschappelijk werker.

Moeite met chronische ziekte
Patiënten met een chronische ziekte voelen zich soms anders dan anderen. Ze hebben dan moeite om met hun ziekte om te gaan. De kinderarts of internist kan u of uw kind voor ondersteuning en begeleiding doorverwijzen naar een maatschappelijk werker of de (kinder)psycholoog. Sommige UMC’s hebben speciale trainingen en cursussen voor kinderen met een chronische ziekte.

Voorlichting over de ziekte van Fabry
Wilt u klasgenoten van uw kind, familie, vrienden, kennissen of collega’s vertellen over de ziekte van Fabry? Dan kan het fijn zijn om hier hulp bij te krijgen. Deze hulp kunt u krijgen via de kinderarts of internist. Daarnaast kunt u via FSIGN en VKS informatie krijgen en tips van lotgenoten vinden.

Vakantie
Als u op vakantie gaat, bereid die vakantie dan goed voor. De volgende punten zijn belangrijk om op te letten:

  • Controleer van tevoren of in het vakantieland de nodige hulpmiddelen te krijgen zijn.
  • Als u producten meeneemt, hebt u een verklaring nodig voor de douane. Vraag die op tijd aan!
  • In het buitenland hebt u een vertaling nodig van medische informatie. Hiervoor kunt u terecht bij de kinderarts of internist. Vraag ze op tijd aan!

Voor overige praktische informatie en tips kunt u terecht bij de behandelend arts, FSIGN en VKS.

Aandachtspunten bij kinderen met de ziekte van Fabry

Opvoeding
Een chronische ziekte kan problemen geven bij de opvoeding. Het is soms moeilijker om grenzen te stellen. Ook kan het voor ouders lastig zijn een kind in de puberteit los te laten. Voor deze problemen kunt u naar een maatschappelijk werker of de (kinder)psycholoog. Ook een pedagoog of pedagogisch medewerker kan u hierbij helpen.

Erfelijkheid en familie
Het kan lastig zijn om de familie te vertellen dat de ziekte van Fabry een erfelijke aandoening is. Familieleden kunnen zich zorgen gaan maken over de kans om zelf een kind te krijgen met de ziekte van Fabry. Hierbij kan de kinderarts of een klinisch geneticus u helpen.

Transitie
Op de leeftijd van ongeveer 18 jaar gaan de meeste kinderen naar een internist. Die internist is gespecialiseerd in metabole ziekten. De kinderarts en internist zullen uw kind helpen bij deze overgang. De kinderarts zorgt ervoor dat de internist goed op de hoogte is van de voorgeschiedenis van uw kind.

Reageren is niet mogelijk