Bijlagen
Verklarende woordenlijst
|
Aangeboren |
Vanaf de geboorte aanwezig. |
|
Acute ontregeling |
Het ontsporen van het evenwicht in het lichaam van energie en afvalstoffen. |
|
Aminozuren |
De bouwstenen van eiwitten. |
|
Carnitine |
Is een veelgebruikt medicijn bij patiënten met stofwisselingsziekten. Het is een stof die in het eten voorkomt en door het lichaam gebruikt wordt voor het leveren van energie aan de skeletspieren. Het helpt bij het afvoeren van de schadelijke zuren die vrijkomen door de verstoorde Stofwisseling van eiwitten. |
|
Diagnostiek |
De techniek en handelingen die nodig zijn om de oorzaak van een ziekte of probleem vast te stellen aan de hand van de verschijnselen die erdoor worden veroorzaakt. |
|
Diarree |
Buikloop. Dunne, waterige ontlasting, waarbij soms ook pijn in de buik of buikkrampen optreedt. Het wordt veroorzaakt door irritatie of ontsteking van de dikke darm, meestal als gevolg van een virusinfectie. |
|
DNA |
Een (reuzen)molecuul uit de kern van een Cel dat ieders eigen, genetische informatie bevat. Het DNA bevat de code voor de aanmaak van eiwitten. |
|
Dystonie |
Stoornis in de spierspanning door een fout in de coördinatie van de hersenen bij het bewegen. Hierdoor ontstaan continue samentrekkingen van de spieren waar de patiënt zelf geen invloed op kan uitoefenen. |
|
Enzymdiagnostiek |
Voor de diagnose van een Stofwisselingsziekte is onderzoek in bloed of lichaamsweefsel noodzakelijk. Meestal wordt voor dat laatste een huidbiopt gebruikt en bij sommige aandoeningen wordt spier- of leverweefsel gebruikt. Bij het enzymonderzoek worden de activiteiten van de verschillende enzymen op celniveau gemeten in een gespecialiseerd laboratorium. |
|
Enzymen |
Eiwitten die door het lichaam zelf gemaakt worden en betrokken zijn bij allerlei processen in de cel. Zij helpen bij de verbranding of vorming van bepaalde stoffen doordat zij elementen kunnen afknippen of eraan plakken zodat een andere stof ontstaat. |
|
Erfelijk |
Van ouder op kind overgaand. Erfelijke aandoeningen zijn afwijkingen die worden geërfd van de ouders. Een ander woord voor erfelijk is genetisch. |
|
Erfelijk materiaal |
Speciale ‘chemische verbindingen’ die de instructies bevatten voor alle celprocessen. Dit celmateriaal is bij ieder mens uniek. Deze gegevens zijn opgeslagen in het DNA van alle cellen en weefsels. |
|
Genetisch |
Erfelijk; betrekking hebben op erfelijkheid. |
|
Hoofdbehandelaar |
De persoon die verantwoordelijk is voor het hele zorgproces en dit coördineert en overziet. |
|
Infectie |
Een besmetting van het lichaam of een deel daarvan met een ziekteverwekker (meestal een bacterie of een virus). |
|
Isoleucine |
Een essentieel aminozuur. Dit betekent dat het menselijk lichaam isoleucine niet zelf kan maken, maar dat het in het voedsel moet zitten. Isoleucine zit in voeding met natuurlijke eiwitten, voorbeelden zijn: eieren, zeewier, lamsvlees. |
|
Ketonen |
Chemische stoffen die worden gevormd bij de afbraak van vet en in grote hoeveelheden gevaarlijk kunnen zijn. Bij ketoacidose komen grote hoeveelheden ketonen in het bloed en de urine terecht. Aceton is één van deze ketonen. Deze stof kan gemeten worden om tijdig een beginnende ketoacidose op te sporen. |
|
Klinisch geneticus |
Arts gespecialiseerd in erfelijkheid. |
|
Koolhydraten |
Voedingsstoffen die dienen als brandstof en energieleverancier voor het lichaam. Koolhydraten die het lichaam kan verteren, zijn een belangrijke bron van energie. Een voorbeeld hiervan is suiker. Koolhydraten die het lichaam niet kan verteren, zijn voedingsvezels. Deze zijn belangrijk voor een goede darmwerking. |
|
Koorts |
Een verhoging van de lichaamstemperatuur, meestal als gevolg van een infectie. Onze lichaamstemperatuur ligt normaal gesproken rond de 37°C. Er is sprake van verhoging wanneer de temperatuur hoger is dan 37,5°C. Boven de 38°C spreken we van koorts. |
|
Leucine |
Een essentieel aminozuur. Dit betekent dat het menselijk lichaam zelf geen leucine kan maken, maar dit uit voedsel moet halen. Leucine zit in voeding met natuurlijke eiwitten. Voorbeelden zijn sojabonen, rundvlees en pinda’s. |
|
Maximale vastenperiode |
De tijd die een patiënt veilig tussen twee maaltijden mag laten. |
|
Neonataal |
Met betrekking tot de eerste weken na de geboorte. |
|
Neuroloog |
Een arts die zich met name bezighoudt met de diagnostiek en behandeling van ziekten van de hersenen, het ruggenmerg en de zenuwen. |
|
Organische zuren |
Stoffen die bij belangrijke processen in de stofwisseling gebruikt worden. Het zijn bijvoorbeeld de tussenproducten die ontstaan door de verbranding/omzetting van eiwitten naar energie. |
|
Presentatie |
Term die artsen gebruiken om de klachten te beschrijven waarmee een patiënt voor de eerste keer komt. |
|
Psychosociale problemen |
Hierbij gaat het om twee soorten problemen die met elkaar samenhangen: Problemen die te maken hebben met uw gevoelens en gedachten (psychische problemen) en problemen die te maken hebben met andere mensen of instanties (sociale problemen). Bijvoorbeeld: iemand voelt zich angstig en somber omdat zijn partner zich niet aan afspraken houdt. |
|
Sociaal-emotionele ontwikkeling |
De sociaal-emotionele ontwikkeling houdt in dat iemand een eigen persoonlijkheid ontwikkelt die overeenkomt met verwachtingen en gedragingen in de sociale omgeving. |
|
Stofwisseling |
Alle processen in het lichaam waar stoffen worden samengesteld en afgebroken. Dit kan uiteindelijk zorgen voor bijvoorbeeld energie of voor groei. |
|
Stofwisselingsziekte |
Stofwisselingsziekten worden veroorzaakt doordat een specifiek Enzym in de cellen van het lichaam ontbreekt. De kenmerken en symptomen van de ziekte hangen af van de functie die dit enzym normaal gesproken heeft. Soms betreft het meer dan één enzym of een enzymcomplex. |
|
Streekziekenhuis |
Plaatselijk ziekenhuis dat niet verbonden is aan een universiteit. Streekziekenhuizen zijn opgericht vanuit een door bevolkingsgroei ontstane behoefte om in iedere streek een eigen ziekenhuis te hebben. |
|
Universitair Medisch Centrum (UMC) |
Een ziekenhuis dat is verbonden aan een universiteit. Synoniem aan Academisch Ziekenhuis. Er zijn in Nederland 7 UMC’s met een afdeling metabole ziekten:
|





