Ziektepresentatie
Ziektebeschrijving
Mucopolysaccharidose type III (of MPS III) is een zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. De ziekte werd rond 1960 voor het eerst beschreven door de artsen Meier en Sanfilippo en wordt daarom ook wel de Ziekte van Sanfilippo genoemd.
MPS III hoort tot de groep van lysosomale stapelingsziekten. Lysosomen zijn onderdelen in de cellen van een mens die verantwoordelijk zijn voor het afbreken en opnieuw gebruiken van verschillende stoffen in ons lichaam. Een verzameling van stoffen die afgebroken wordt in de lysosomen is de groep van mucopolysacchariden (ook wel glycosaminoglycanen of GAGs genoemd). Voor het afbreken van deze GAGs heeft het lichaam verschillende enzymen (een soort eiwitten) nodig. Bij mensen met MPS III wordt één van deze enzymen niet, te weinig of verkeerd aangemaakt. Hierdoor kan een specifieke GAG, heparansulfaat, niet goed worden afgebroken.
Vier subtypen van MPS III
Heparansulfaat wordt in verschillende stappen afgebroken. Vier van deze stappen worden uitgevoerd door vier verschillende enzymen. Als een van deze enzymen minder goed werkt, ontstaat MPS III. Afhankelijk van welke van deze vier enzymen minder goed werkt, wordt MPS III onderverdeeld in vier verschillende subtypen:
– MPS III A, of Ziekte van Sanfilippo type A: hierbij zorgen DNA-veranderingen in het SGSH-gen ervoor dat het Enzym sulfamidase minder goed werkt;
– MPS III B, of Ziekte van Sanfilippo type B: hierbij zorgen DNA-veranderingen in het NAGLU-gen ervoor dat het enzym alfa-N-acetylglucosaminidase minder goed werkt;
– MPS III C, of Ziekte van Sanfilippo type C: hierbij zorgen DNA-veranderingen in het HGSNAT-gen ervoor dat er een defect ontstaat in het enzym acetyl-CoA-alfa-glucosaminide-N-acetyltransferase;
– MPS III D, of Ziekte van Sanfilippo type D: hierbij zorgen DNA-veranderingen in het GNS-gen ervoor dat het enzym N-acetyl-glucosamine-6-sulfaat-sulfatase minder goed werkt.
In Nederland komt type A het meest voor, daarna type B en C. Type D komt veel minder vaak voor. Wanneer heparansulfaat minder goed wordt afgebroken, stapelt het op in de lysosomen. Daardoor ontstaan er klachten. Deze klachten zijn voor de vier typen MPS III niet te onderscheiden. Het beloop van de ziekte hangt dus niet af van het type MPS III. Maar de ernst van de klachten kan tussen patiënten heel verschillend zijn. Ook tussen twee patiënten uit één familie kan de ernst erg verschillen.
Cijfers
MPS III is een heel zeldzame ziekte. In Nederland komt de ziekte bij ongeveer 1 op 53.000 pasgeborenen voor. Dat betekent dat in Nederland elk jaar gemiddeld 3 kinderen met MPS III worden geboren.
Symptomen
Klachten
MPS III is een progressieve ziekte. Dat wil zeggen dat de ziekte in de loop van de jaren erger wordt. Dit komt doordat de klachten die ontstaan bij de ziekte veroorzaakt worden door stapeling van heparansulfaat in de cellen. Als patiënten jong zijn, is de stapeling nog niet zo erg. Bij de geboorte is er aan de meeste kinderen daarom nog niets te merken. Ook in de eerste levensjaren valt het vaak nog niet op dat het kind zo’n ernstige ziekte heeft. Kinderen zijn soms vaker verkouden dan leeftijdgenoten. Ze kunnen oor- en keelontstekingen hebben of er wordt een lies- of navelbreuk gezien. Omdat dit allemaal problemen zijn die ook bij gezonde kinderen vaak voorkomen, wordt het meestal niet herkend als eerste symptoom. In de loop van de jaren blijft de stapeling doorgaan en functioneren de cellen steeds slechter. Uiteindelijk kan het orgaan waarin de cellen zich bevinden (met name de hersenen) niet goed functioneren en vallen de eerste echte bijzonderheden op.
Door de ziekte gaat het verstandelijk vermogen (het denken) van de patiënt langzaam achteruit. Soms komt de ontwikkeling van spraak en taal niet of traag op gang. Daarnaast hebben kinderen vaak gedragsproblemen. Ze zijn onrustig, kunnen zich slecht concentreren en hebben slaapproblemen. Later gaat ook de motoriek (het bewegen) achteruit: het lopen gaat steeds moeilijker en bijvoorbeeld eten wordt een probleem.
Doordat de klachten heel geleidelijk optreden, vallen ze vaak pas na verloop van tijd op. Het kan dan ook lang duren voordat de verdenking op deze diagnose ontstaat. Er zijn enkele uiterlijke kenmerken die speciaal bij MPS III passen: een grof gelaat met dikke, soms doorlopende wenkbrauwen, donkere wimpers en volle lippen. Daarnaast is het haar vaak stug en er kan sprake zijn van veel lichaamsbeharing, met name op de rug.
Diverse andere problemen kunnen voorkomen die per patiënt en per leeftijd erg kunnen verschillen zoals gehoorproblemen, problemen met zien, epilepsie, heupproblemen, diarree of obstipatie. Deze worden besproken onder Begeleiding Kinderen en Begeleiding Volwassenen.
Klachten op de langere termijn
In eerste instantie gaat de ontwikkeling van kinderen met MPS III niet meer vooruit. Dit noemen we ook wel de plateaufase. In een later stadium gaat de ontwikkeling zelfs achteruit, zowel verstandelijk als motorisch (het bewegen). De gedragsproblemen nemen met de leeftijd toe. Kinderen kunnen erg onrustig, destructief en angstig zijn. Vaak kunnen ze ergens maar heel kort aandacht voor hebben en zien de kinderen geen gevaar. Deze problemen kunnen zo ernstig zijn dat mensen met MPS III thuis moeilijk te begeleiden zijn.
Door de verstandelijke en motorische achteruitgang hebben patiënten met MPS III een verkorte levensverwachting. Ze overlijden vaak in hun tienerjaren of op jongvolwassen leeftijd.
Er zijn patiënten die pas op latere leeftijd klachten en de diagnose MPS III krijgen. Die patiënten hebben mildere klachten en kunnen een normale levensverwachting hebben.
Behandeling
Er bestaat nog geen effectieve behandeling voor patiënten met MPS III. Er kan wel ondersteuning en begeleiding worden geboden bij de klachten die optreden. En soms krijgen patiënten medicijnen om bepaalde klachten tegen te gaan. Zo bestaan er medicijnen die helpen bij gedragsproblemen, slaapproblemen, epileptische aanvallen of bij obstipatie (verstopping). Onder Begeleiding Kinderen en Begeleiding Volwassenen wordt de mogelijke behandeling per probleem/klacht besproken.
Vaccinaties
Kinderen met MPS III krijgen dezelfde vaccinaties als andere kinderen. Dit loopt via het Rijksvaccinatieprogramma van de GGD. De meeste patiënten wordt ook aangeraden om zich jaarlijks tegen de griep te laten vaccineren.
Overige aandachtspunten
Praktische zaken
Als u praktische vragen hebt over uw ziekte of de ziekte van uw kind, kunt u terecht bij de kinderarts of internist. Denkt u daarbij aan vragen over het afsluiten van een verzekering, over sportmogelijkheden, vakantie, opleiding of een vrijetijdsbesteding voor u of uw kind. Als het nodig is, kan de kinderarts of internist u doorverwijzen naar een maatschappelijk werker.
Moeite met chronische ziekte
Patiënten en ouders van kinderen met een chronische ziekte voelen zich soms anders dan anderen. Ze hebben bijvoorbeeld moeite om met hun ziekte of de ziekte van hun kind om te gaan. De kinderarts of internist kan u en/of uw kind voor ondersteuning en begeleiding doorverwijzen naar een maatschappelijk werker of de (kinder)psycholoog. Sommige UMC’s hebben speciale trainingen en cursussen voor kinderen met een chronische ziekte en hun ouders.
Voorlichting over MPS III
Wilt u klasgenoten van uw kind, familie, vrienden, kennissen of collega’s vertellen over MPS III? Dan kan het fijn zijn om hier hulp bij te krijgen. Deze hulp kunt u krijgen via de kinderarts of de internist. Daarnaast kunt u via VKS informatie krijgen en tips van lotgenoten vinden.
Vakantie
Als u op vakantie gaat, bereid die dan goed voor. De volgende punten zijn belangrijk om op te letten:
– Controleer van tevoren of in het vakantieland de nodige hulpmiddelen te krijgen zijn.
– Als u producten meeneemt, hebt u een verklaring nodig voor de douane. Vraag die op tijd aan!
– In het buitenland hebt u een vertaling nodig van medische informatie. Hiervoor kunt u terecht bij de kinderarts of internist. Vraag ze op tijd aan!
Voor overige praktische informatie en tips kunt u terecht bij VKS en de verpleegkundig specialist in het UMC.
Aandachtspunten bij kinderen met MPS III
Opvoeding
Een chronische ziekte kan problemen geven bij de opvoeding. Het is soms bijvoorbeeld moeilijker om grenzen te stellen. Voor deze problemen kunt u naar een maatschappelijk werker of de (kinder)psycholoog. Ook een pedagoog of pedagogisch medewerker kan u hierbij helpen.
Erfelijkheid en familie
Het kan lastig zijn om de familie te vertellen dat MPS III een erfelijke aandoening is. Familieleden kunnen zich zorgen gaan maken over de kans om zelf een kind te krijgen met MPS III. Hierbij kan de kinderarts of een klinisch geneticus u helpen.
Transitie
Op de leeftijd van ongeveer 18 jaar gaan de meeste kinderen naar een internist. Die internist is gespecialiseerd in metabole ziekten. De kinderarts en internist zullen uw kind helpen bij deze overgang. De kinderarts zorgt ervoor dat de internist goed op de hoogte is van de voorgeschiedenis van uw kind.
In sommige ziekenhuizen is geen internist aanwezig die gespecialiseerd is in metabole ziekten. De behandeling kan dan worden voortgezet in een ander centrum of via de lokale AVG-arts.





