Diagnostiek

Laboratoriumbevindingen

Door de combinatie van klinische gegevens ontstaat vaak een waarschijnlijkheidsdiagnose ‘levergebonden GSD’. Vervolgens verlopen diagnostiek en behandeling meestal parallel.

Vaststellen diagnose GSD VI en IX

  • Aanvullen gegevens anamnese, lichamelijk onderzoek, laboratoriumdiagnostiek en echo abdomen.
  • DNA-diagnostiek is de eerste keuze om de diagnose vast te stellen. In plaats van klassieke Sanger sequencing wordt in toenemende mate exome sequencing verricht, al dan niet met een specifiek (metabool / hypoglykemie / GSD) filter.
  • Enzymdiagnostiek in erytrocyten kan aanvullende waarde hebben bij sterke klinische verdenking indien de DNA-uitslag niet eenduidig is.

Differentiaaldiagnose
Aandoeningen in de differentiaaldiagnose van GSD VI en IX en hun overeenkomsten en verschillen staan hieronder vermeld.

Tabel 2. Aandoeningen in de differentiaaldiagnose van GSD VI en IX.

Aandoening

Gen(en)

Overerving

G

He

Hy

T

L

Verschillen

Levergebonden glycogeensynthase-deficiëntie (GSD 0)

GYS2

AR

 

 

K

 

 

Hepatomegalie kan afwezig zijn

Postprandiale hyperglykemie en hyperlactatemie

Glucose-6-fosfatase-deficiëntie (GSD Ia)

G6PC1

AR

+

+

NK

+

 

Ernstige lactaatacidose, toenemend met vasten

Hyperurikemie

Ernstige hyperlipidemie, die postprandiaal of voor een voeding niet varieert

Glucose-6-fosfaattransporterdeficiëntie (GSD Ib)

SLC37A4

AR

 

 

NK

 

 

Neutropenie

Bacteriële infecties

Aften, diarree

Debranching-enzymdeficiëntie (GSD III)

AGL

 

 

+

K

+

+

ASAT en ALAT zijn opvallend hoger

Spierbetrokkenheid (CK kan op jonge leeftijd licht verhoogd zijn)

Branching-enzymdeficiëntie (GSD IV)

GBE1

AR

 

 

 

 

 

Hypoglykemie meestal pas bij eindstadium leverfalen

GLUT2-deficiëntie (Fanconi-Bickelsyndroom; GSD XI)

SLC2A2

AR

 

 

 

 

 

Postprandiale hyperglykemie

Diarree

Renomegalie

Fanconi tubulopathie

Rachitis

Fructose-1,6-bisfosfatasedeficiëntie

FBP1

AR

 

 

 

 

 

Lactaatacidose, toenemend met vasten

Alfa-1-antitrypsinedeficiëntie-gerelateerde hepatitis

SERPINA1

AR

 

 

 

 

 

Geen hypoglykemie of hyperketonemie bij vasten

Glycerolkinasedeficiëntie

GK

XL

 

 

 

 

 

Ketoacidose en extreem verhoogd glycerol

Niemann-Pick type B

SMPD1

AR

 

 

 

 

 

 

Gaucher

GBA

AR

 

 

 

 

 

 

Deoxyguanosinekinasedeficiëntie (mtDNA-depletiesyndroom)

DGUOK

AR

 

 

 

 

 

 

Mitochondriële complex V (ATP synthase-)deficiëntie

ATPAF2

AR

 

 

 

 

 

 

LCHADD

HADHA

 

 

 

 

 

 

 

G = groeiachterstand; He = hepatomegalie; Hy = hypoglykemie; T = verhoogde transaminasen; L = hyperlipidemie

Aanvullend onderzoek

–    Echo abdomen: levergrootte en aspect, splenomegalie, grootte en aspect van de nieren
–    Evaluatie cardiomyopathie door middel van ECG en echo cor
–    Een leverbiopt wordt tegenwoordig nog zelden gedaan.
Onderzoek naar GSD VI of GSD IX bij jongere broers en/of zussen binnen het gezin zodat meteen begeleiding en dieetadviezen gegeven kunnen worden om groeiachterstand en acute metabole ontsporing tijdens ziekte te voorkomen.

Vaststellen uitgangssituatie bij diagnose
Als de diagnose is gesteld, wordt een patiënt op de polikliniek van het expertisecentrum uitgenodigd. De patiënt wordt onderzocht door de kinderarts of internist metabole ziekten. Er wordt gecontroleerd of er specifieke symptomen zijn, zoals lever- en/of spieraandoeningen. In de meeste gevallen wordt er ook laboratoriumonderzoek verricht en een echo abdomen gemaakt. Samen met de diëtist metabole ziekten wordt er een dieet opgesteld.

Prenatale diagnostiek

Prenatale diagnostiek is mogelijk als de pathogene varianten in de familie bekend zijn en kan indien gewenst besproken worden met de klinisch geneticus. Hij kan uitleg geven over de procedure en de potentiële risico’s ervan, afgezet tegen de behandelbaarheid van de aandoeningen.(Labrador and Weinstein 2009 Apr 23; Herbert et al. 2011 May 31)

Reageren is niet mogelijk