Diagnostiek

Laboratoriumbevindingen

Vaststellen diagnose propionacidurie
Wanneer een kind zich presenteert met klachten die zouden kunnen passen bij PA, dan omvat de differentiaaldiagnose alle organische acidurieën en alle ureumcyclusdefecten, maar ook een breed pallet aan andere ziektes. Laboratoriumdiagnostiek als bloedgas, glucose, lactaat, ammoniak, chemie, leverfuncties en bloedbeeld is zeer nuttig in het geven van informatie over de ernst, maar kan niet sluitend differentiëren tussen de verschillende aandoeningen (Baumgartner et al. 2014). Wanneer er een verdenking op PA bestaat, wordt metabole diagnostiek verricht:

  • Plasma aminozuren
  • Plasma acylcarnitines
  • Urine organische zuren
  • Plasma methylmalonylzuur

In het bloed van PA-patiënten is propionylcarnitine verhoogd en in de urine is propionzuur, 3-hydroxypropionzuur en methylcitraat verhoogd. In de aminozuuranalyse zijn glycine en lysine vaak verhoogd. Verhoging van deze metabolieten is echter niet specifiek voor de diagnose PA, er kan ook sprake zijn van methylmalonacidurie (MMA). Daarom wordt ook gekeken naar methylmalonylcarnitine en wordt methylmalonylzuur specifiek gemeten. Deze metabolieten zijn alleen verhoogd in MMA en niet in PA. Op deze manier kan er onderscheid gemaakt worden tussen PA en MMA.

Na metabool onderzoek kan de gestelde diagnose worden bevestigd middels enzymdiagnostiek en/of DNA-diagnostiek. Bij enzymdiagnostiek wordt er gekeken of er sprake is van een partiële of een complete PCC-deficiëntie. Bij mutatie-analyse wordt er gekeken naar pathogene mutaties in het PCCA- en PCCB-gen. Het weten van het onderliggende enzymdefect en het onderliggende genotype is van belang voor bevestiging van de diagnose voor prenatale diagnostiek, dragerschap van familieleden, genetische counseling en in sommige gevallen voor genotype-fenotype correlaties, maar hiervan zijn er slechts enkele bekend (zie: ‘Genotype’).

Niveau 2

Te verrichten metabole diagnostiek bij een verdenking op PA omvat plasma aminozuren, plasma acylcarnitines en organische zuren in de urine of in plasma.
(Baumgartner et al. 2014)

Niveau 2

Om de diagnose te bevestigen, is enzymdiagnostiek en/of DNA-diagnostiek noodzakelijk. Identificatie van ziekte-veroorzakende mutaties is van belang voor prenatale diagnostiek, dragerschap, genetische counseling en soms voor genotype-fenotypecorrelaties.
(Baumgartner et al. 2014)

Als de patiënt is overleden wordt aanbevolen om een huidbiopt af te nemen voor fibroblast-onderzoek, bloed voor DNA-isolatie en plasma, serum en urine in te vriezen en te bewaren, voor eventuele postmortale diagnostiek (Baumgartner et al. 2014).

Diagnostiek bij een acute ontregeling
Wanneer er sprake is van (verdenking op) een acute ontregeling, wordt minimaal de volgende laboratoriumdiagnostiek verricht:

  • Bloedgas
  • Ammoniak
  • Lactaat
  • Glucose
  • Elektrolyten: Na, K, Cl
  • Creatinine, ureum
  • Bloedbeeld
  • Urine: ketonen

Niveau 2

Diagnostiek door het metabool laboratorium (plasma of urine organische zuren, plasma aminozuren, plasma carnitine) is van weinig toegevoegde waarde tijdens een acute metabole ontregeling.
(Baumgartner et al. 2014)

Niveau 4

Monitoren van een acute ontregeling kan thuis en in het ziekenhuis middels het gebruik van ketonensticks voor de urine.
(Expert opinion, Nederlandse expert meeting, 2018)

Aanvullend onderzoek

  • Op indicatie beeldvorming van hersenen, bij voorkeur MRI.
  • Onderzoek naar PA bij broertjes/zusjes.

Reageren is niet mogelijk