Diagnostiek

Laboratoriumbevindingen

Vaststellen diagnose ZSD
De eerste verdenking op ZSD ontstaat op basis van kenmerkende klinische verschijnselen. Biochemisch onderzoek (verhoogde concentratie VLCFA, peroxisomale galzuurintermediairen (DHCA, THCA), fytaan-/pristaanzuur en pipecolinezuur in plasma, verlaagde plasmalogeenconcentraties in erytrocyten en C26:0-lysoPC in gedroogde bloedspots) geeft verdere bevestiging van de diagnose. In aanvulling kunnen galzuurintermediairen en oxaalzuur in de urine worden geanalyseerd.
Biochemisch onderzoek kan bij patiënten met een milde vorm van ZSD normaal zijn. Als er een sterke klinische verdenking is op ZSD is bevestiging d.m.v. gekweekte fibroblasten op 40oC noodzakelijk. Voor verdere differentiatie en om het defecte PEX-gen te kunnen identificeren, is aanvullend fibroblastonderzoek nodig.[1]
Mutatie-analyse van het defecte PEX-gen is nodig om de diagnose te bevestigen.

Differentiële diagnose
De differentiële diagnosen van ZSD zijn gebaseerd op de belangrijkste symptomen bij presentatie:

  1. hypotonie bij pasgeborenen (onder andere chromosoomafwijkingen (syndroom van Down en Prader-Willi), spinale musculaire atrofie, hypoxisch-ischemische encefalopathie, en andere peroxisomale aandoeningen (acyl-CoA-oxidasedeficiëntie type 1, D-bifunctioneel proteïnedeficiëntie))
  2. perceptief gehoorverlies met retinitis pigmentosa (Ushersyndroom I en II, Cockaynesyndroom, Alportsyndroom, Waardenburgsyndroom, klassieke Refsum)
  3. bilateraal cataract (onder andere syndroom van Lowe, galactosemie, aangeboren infecties, rhizomele chondrodysplasie punctata)
  4. primaire bijnierschorsinsufficiëntie (onder andere auto-immuun of infectieuze adrenalitis, bijnierbloeding, X-ALD)[2]

Aanvullend onderzoek

Onderzoek naar ZSD bij broers en/of zussen binnen het gezin.

Vaststellen uitgangssituatie bij diagnose

  • MRI hersenen
  • Screening gehoor (verwijzing KNO-arts) en visus (verwijzing oogarts)
  • Bijnierschorsfunctie.

Op basis van klachten worden de volgende onderzoeken ingezet om afwijkingen m.b.t. leverfunctie en intestinale vetmalabsorptie op te sporen:

  • Stollingsparameters (PT, aPTT)
  • Albumine
  • Vitamine A-, D-, E-concentratie
  • Echo ter beoordeling aspect lever en tekenen portale hypertensie (aanwijzingen voor hepatocellulair carcinoom en voor nierstenen).

Prenatale diagnostiek

Vanwege de slechte prognose van de meeste vormen van ZSD en de hoge ziektelast zijn prenatale diagnostiek en pre-implantatie genetische counseling cruciaal. Voordat prenataal genetisch onderzoek kan worden gedaan, moet(en) eerst de familiale pathogene mutatie(s) in het PEX-gen worden vastgesteld. Als de PEX-mutatie niet bekend is of niet wordt gevonden, kan prenataal biochemische diagnostiek worden gedaan d.m.v. een vlokkenbiopsie of -kweek of vruchtwaterpunctie (amniocytenkweek). Hiervoor is het wel noodzakelijk dat bij de indexpatiënt biochemische afwijkingen zijn aangetoond.

Reageren is niet mogelijk